Historie

Prof. dr. Gerrit Arie Lindeboom

De Stichting Historia Medicinae werd op 6 december 1967, ten huize van de Amsterdamse hoogleraar Interne Geneeskunde Gerrit Arie Lindeboom (1905-1986) opgericht. Lindeboom had geneeskunde gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam en was daarna bij professor Isidore Snapper in het Wilhelmina Gasthuis opgeleid tot internist, waarna hij zich als internist-röntgenoloog vestigde in de De Lairessestraat in Amsterdam. In die tijd al combineerde hij zijn dagelijkse werkzaamheden als internist met een grote belangstelling voor klinisch wetenschappelijk onderzoek en geschiedenis van de geneeskunde. Dit leidde bij de oprichting van de medische faculteit van de Vrije Universiteit van Amsterdam in 1950 tot een benoeming hoogleraar in de algemene ziektekunde én encyclopaedie der medische wetenschappen. In 1955 kwam daar een benoeming hoogleraar inwendige geneeskunde bij.
Als hoogleraar in de encyclopaedie der medische wetenschappen richtte Lindeboom een Medisch Encyclopaedisch Instituut op waar hij aandacht kon besteden aan medische ethiek en de filosofie en geschiedenis van de geneeskunde. Dit laatste leidde tot de oprichting van de Stichting Historia Medicinae. Doel van dit initiatief was de bevordering van de wetenschap van de geschiedenis der geneeskunde en geneeskunst in Nederland, door het verlenen van subsidies, het uitschrijven van prijsvragen, het organiseren van wetenschappelijke bijeenkomsten en het stichten van leerstoelen.

Vanaf het begin waren de werkzaamheden van de Stichting Historia Medicinae nauw verweven met de activiteiten van het Medisch Encyclopedisch Instituut. Donateurs van de stichting konden zich tegen een gereduceerde prijs abonneren op het mededelingenblad Aere Perennius van het instituut. Internationale contacten werden bevorderd door onder meer het mede organiseren van jaarlijkse contactdagen tussen medewerkers van het Institut für Theorie und Geschichte der Medizin der Universität Münster en medewerkers van het Medisch Encyclopedisch Instituut. Het instituut werd daardoor zowel nationaal als internationaal hét ontmoetingscentrum voor geïnteresseerden in medische geschiedenis. In 1971 werd door het instituut met steun van de Stichting Historia Medicinae begonnen met een landelijke cursus Geschiedenis der Geneeskunde.

Vanaf 1974 organiseerde de stichting twee maal per jaar een Medisch Historische Dag waar over onderzoek in de geschiedenis van de geneeskunde werd gerapporteerd. De samenvattingen van deze voordrachten werden gepubliceerd in het maandblad Spiegel Historiael, Aere Perennius en het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. De Stichting Historia Medicinae kon deze initiatieven ontwikkelen dankzij bijdragen van donateurs, particuliere schenkingen en financiële steun van de ook door Lindeboom opgerichte Stichting Pieter van Foreest. Geheel in de traditie van Lindeboom’s belangstelling voor de geschiedenis van de geneeskunde had hij deze stichting vernoemd naar één van de belangrijkste medici in de zestiende eeuw, Pieter van Foreest, die ook bekend stond als de ‘Hollandse Hippocrates’.

Gerrit Arie Lindeboompenning

Alhoewel Lindeboom na zijn emeritaat het directoraat van het Medisch Encyclopedisch Instituut in 1978 had overgedragen aan toen nog Drs Mart van Lieburg, bleef hij werkzaam in het instituut én voorzitter van de Stichting Medicinae Historiae. In 1984 werden door het bestuur van de stichting en met steun van de Stichting Pieter van Foreest, waarvan Lindeboom ook voorzitter was, een vijfjaarlijkse Gerrit Arie Lindeboom-prijs voor de beste publicatie op het terrein van de medische geschiedenis geïntroduceerd en de Gerrit Arie Lindeboom-penning voor personen die zich op bijzondere wijze verdienstelijk hebben gemaakt op het terrein van de medische geschiedenis. Voor toekenning van de prijs werd gegadigden gevraagd een opstel te schrijven over Medicalisering. Zowel de prijs als de penning werd voor het eerst toegekend aan de inmiddels hoogleraar geworden Mart van Lieburg. Na een kort ziekbed overleed Lindeboom in 1986. De 25e Medisch Historische dag in 1987 stond daardoor geheel in het teken van het overlijden van Lindeboom. De hoogleraar Interne Geneeskunde Cees van der Meer van de Vrije Universiteit in Amsterdam volgde zijn leermeester Lindeboom op als voorzitter van de Stichting Historia Medicinae.

Het 25-jarig bestaan van de Stichting Historia Medicinae werd in 1993 gevierd met een symposium Overheid en gezondheidszorg in de twintigste eeuw. De stichting kon in dat jaar terugzien op een periode waarin het door de inspanningen van Lindeboom en zijn opvolger van Lieburg zeer voor de wind was gegaan. Niettemin raakte de Stichting Historia Medicinae in de loop van de negentiger jaren van voor de wind in de wind verzeild. Terwijl het onderwijs en onderzoek rond medische geschiedenis zich internationaal uitbreidde en vernieuwde, werd het vakgebied aan de Nederlandse universiteiten vrijwel afgeschaft. Door noodzakelijke bezuinigingen werd een aantal leerstoelen opgeheven en zelfstandige afdelingen medische geschiedenis gesloten. Waaronder die bij het VuMC, wat toch jarenlang de bakermat van het onderwijs en onderzoek in de medische geschiedenis was geweest. Een noodzaak tot behoud van medisch historische expertise werd door medische faculteiten niet gezien. In het eerste Raamplan voor de basisopleiding geneeskunde in 1994 werd kennis van de beginselen van medische geschiedenis zelfs niet genoemd. Als gevolg daarvan hadden na de eeuwwisseling 4 van de 8 UMC’s geen zelfstandige afdeling en leerstoel medische geschiedenis meer. In de andere UMC’s  waren de staven medische geschiedenis, al dan niet als onderdeel van een afdeling Metamedica, klein en werden de leerstoelen merendeels in deeltijd ingevuld. Dit leidde ertoe dat vanuit de Vrije Universiteit de medisch historische dagen niet meer konden worden georganiseerd. Ook de cursus geschiedenis van de geneeskunde kon niet meer op de oude voet worden voortgezet. De activerende rol die de Stichting Historia Medicinae jaren lang had gespeeld in de bevordering van onderwijs en onderzoek in de geschiedenis van de geneeskunde raakte daardoor in een impasse.

Een kentering ten goede kwam begin jaren 2000. De huisarts en oud KNMG-voorzitter Willem Cense had inmiddels het voorzitterschap van van der Meer overgenomen en schreef in het eerste jaar daarvan een discussienota waarin hij pleitte voor een herwaardering van de initiërende, coördinerende en enthousiasmerende rol van de Stichting Historia Medicinae. In een beleidsplan werden te ondernemen acties verder uitgewerkt. En dat was niet zonder resultaat.

HVanaf 2001 leverde de stichting een substantiële bijdrage aan de organisatie van zogenaamde Witness-seminars, die onder leiding van het bestuurslid Eddy Houwaart door de sectie medische geschiedenis van de afdeling Metamedica van de Vrije Universiteit werden georganiseerd. Mede op initiatief van het NTvG werd de cursus geschiedenis van de geneeskunde in 2004 onderdeel van een landelijk masterprogramma Medische Geschiedenis en het HOVO-onderwijs dat door de Letterenfaculteit van de VU in samenwerking met het LUMC, het MUMC+ en aanvankelijk ook de Radboud Universiteit was ontwikkeld. Daarnaast werd begonnen met een cursus Medische Geschiedschrijving voor liefhebbers van de geschiedenis van de geneeskunde. In 2007 begon van Lieburg met steun van de Stichting Historia Medicinae en het KNMG-Domusoverleg met een jaarlijkse Domus Dag. In 2009 werd begonnen met de organisatie van een tweejaarlijkse Medisch Historische Marktdag. In 2013 werd mede op initiatief van de emeritus hoogleraar Interne Geneeskunde Harry Hillen de Nederlandse Vereniging voor Medische Geschiedenis (NVMG) opgericht. Om de NVMG een basis te geven besloot de Stichting Historia Medicinae niet meer actief donateurs te werven en adviseerde bestaande donateurs lid te worden van de NVMG. In Urk richtte van Lieburg voor zijn omvangrijke boekencollectie een Trefcentrum Medische Geschiedenis Nederland in als kennis-, documentatie- en erfgoedcentrum en platform voor het niet-universitaire onderzoek van de geschiedenis van de geneeskunde, gezondheidszorg, verpleegkunde, farmacie, tandheelkunde en de paramedische vakken. Voorts vestigde de stichting van 2006 tot 2010 een bijzonder leerstoel Geschiedenis van de Antieke Geneeskunde bij de Universiteit Leiden. In 2018 werd met steun van de stichting een bijzonder hoogleraar medische geschiedenis benoemd bij de faculteit Geesteswetenschappen van de VU. Niet bij de medische faculteit, hetgeen illustratief is voor de ontwikkeling van het vakgebied, van bestudering van de geschiedenis van de geneeskunde vanuit een medische optiek naar een geesteswetenschap vanuit een multidisciplinaire optiek. Een ontwikkeling van medical history via medical humanities naar health humanities.